De komst (ongenood) van twee kleinkunstenaars (1907)

De Oosterbeekse hoteliers Ogterop en Janssen hielden er van om concerten op niveau te organiseren, alles in dienst van de muzikale verheffing van ingezetenen en toeristen. Hierin leek een ander evenement dat Oosterbeek 24 augustus 1907 op zijn kop zette in hun optiek minder goed te passen: de komst naar Oosterbeek, ongenood, van twee kleinkunstenaars, Jean Louis Pisuisse en Max Blokzijl.

pisuisse-blokzijl

Café Concordia

Zij traden die avond op in café Concordia, gelegen op de westhoek Prins Hendrikstraat-Utrechtseweg, oostelijk van Dalzicht. De eigenaar, Wessel Harco Waterborg was bepaald een ondernemend heerschap. Nadat hij in september 1905 het café-restaurant van Koderitsch had overgenomen werkt hij vanaf de eerste dag aan de goede naam van Concordia. Hij had naast het café-restaurant ook een Italiaans restaurant, à la “Giorno “ waarbij de zogenaamde Italiaanse liederen voor een prettige, passende ambiance zorgden. Onmiddellijk na zijn aankoop van Concordia haalt hij het agentschap van de Oosterstoomtram-maatschappij binnen. Weer een voorbeeld van een middenstander die iedere mogelijke inkomstenbron aanboort.

Hotel-café Concordia op de westhoek van de Prins Hendrikstraat met de Utrechtseweg. Hier traden in 1907 Jean Louis Pisuisse en Max Blokzijl op.

Hotel-café Concordia op de westhoek van de Prins Hendrikstraat met de Utrechtseweg. Hier traden in 1907 Jean Louis Pisuisse en Max Blokzijl op.

Pisuisse en Blokzijl

Pisuisse en Blokzijl, afkomstig uit Amsterdam en van beroep journalist, hadden genoeg van het verslaan van “uitslaande branden en vergaderingen”, en besloten, na succesvolle try-outs in Amsterdam, negen dagen door Nederland te trekken als de straatmuzikanten Naphtalie de Rosa en Joseph Pardo, beiden zgn. van Italiaanse afkomst. De eerste Nederlandse vertolkers van het levenslied.

Deze tocht brengt hen op 24 augustus naar Oosterbeek, waar ze een optreden op straat beogen met mandoline, gitaar en een orgeltje op een driewielige kar.
Eerst melden zij zich bij het gemeentehuis aan de Utrechtseweg om een vergunning los te krijgen. Dat was niet eenvoudig. De gemeentesecretaris, A. Loopuijt en zijn klerken bezien de beide vagebonden met afgrijzen en proberen hen af te schepen met een verbod omdat er die dag al een orgel het straatbeeld zou verlevendigen. Na enig aandringen, waarbij zij zelfs een uittreksel van het bevolkingsregister moesten tonen, onder valse voorwendsels in Amsterdam losgepraat, wordt “ op een klein blocnote-papiertje een vergunning, met een gewichtig stempel van de gemeente Renkum, uitgeschreven. Onmiddellijk bij het verlaten van het gemeentehuis blijkt dat de Oosterbeekse bevolking inmiddels van hun aanwezigheid in het dorp weet. Een allengs groter wordende groep ingezetenen volgt hen op hun tocht door Oosterbeek, zeer tot hun verbazing. Zij besluiten dan ook hun optredens op straat zonder uitstel te beginnen.

Senza Core

Zij zetten op gevoelige wijze het “ Senza Core” in. Na een eerste rondgang met de hoed worden ze bij voortduring uitgenodigd in een van de vele tuinen aan de Utrechtseweg, waarbij de miniconcerten hen, zoals ze melden, soms tot enige kwartjes per concertje opbrachten.
In de Annastraat aangekomen ontmoetten zij een heerschap die hen voorspelt dat Waterborg, eigenaar van café-restaurant Concordia, hen ongetwijfeld zal engageren. Deze aankondiging doet hen besluiten weer richting het stadhuis te wandelen teneinde het daar schuin tegenover, op de hoek van de Prins Hendrikstraat gelegen etablissement te bezoeken.
Zij stellen zich in de voortuin op en vermaken ook hier een steeds groter wordende groep dorpelingen en toeristen. Het levert hen inderdaad een engagement op bij de wakkere ondernemer Waterborg van Concordia, onder de voorwaarde dat een vergunning van de gemeente wordt gekregen. Waterborg steekt de Utrechtseweg over en is in korte tijd al de tweede zich ten gemeentehuize vervoegende die om een vergunning vraagt.

cafe-restaurant-concordia-oosterbeek-1906-advertentieDe gemeentesecretaris Loopuyt vertrouwt de ophef niet en de veldwachter houdt dan ook de rest van de dag een oogje in het zeil. Met Waterborg wordt na verlening van de vergunning een concert van 21.00 tot 23.00 uur afgesproken dat, aangezien er geen piano in de grote zaal van Concordia voorhanden was, gitaar, mandoline en het harmonium voor de begeleiding zouden zorgen. De vergoeding voor de avond werd vastgesteld op fl. 3,- waarbij de artiesten bedongen dat ze enige keren met de hoed mochten rondgaan om deze toch al redelijke beloning verder aan te zuiveren.

Voor hun optreden maken ze nog een rondgang door het dorp waarbij hen opvalt dat veel “beschaafde jonge dames, genoeg artistiek ontwikkeld” voorhanden waren.

In hun verslag in het Handelsblad merken ze op dat: ” de menschen in Oosterbeek zeer vriendelijk waren; het was eenvoudig roerend!” Zo krijgen ze een opsomming van adressen waar goedgeefse inwoners huisden. Ze zingen daar steeds enige liederen, zoals op de veranda van de villa van “dr. Reuve” waarvoor ze maar liefst een gulden en een glas goede wijn ontvangen. Waterborg zit evenmin stil en plakt door het gehele dorp, ijlings vervaardigde plakbiljetten aan die het optreden van die avond aankondigen.

concert-waterborgConcordia afgeladen vol

Concordia is die avond afgeladen maar tot schrik van de beide zwervers heeft Waterborg er ook liederen van Speenhoff aangekondigd. De “Italianen” wagen zich daar aan hoewel al te grote bekendheid met de liederen argwaan zou kunnen wekken. Ze doen een poging met:  “ Brief van een moeder aan haar zoon in de gevangenis”.

Het verslag in het Handelsblad verhaalt van een aanpak die weinig begrip voor de tekst doet vermoeden.

“ Main lie….ve soan, Oe môder làt oe veeten,  Astat sa oe màr stets nie…t kann vergète..”

“Men stampte geestdriftig, dat de zaal er van dreunde- voor onzen dichter zeker een niet geringe hulde, wanneer zijn liederen, zelfs in `n allerzotst taaltje voorgedragen, er nog zóó ingaan!- en vroeg om Speenhoffjes, zo dringend dat Naphta wel genoodzaakt was ook “ het meisje dat men nooit vergeet “ met Napolitaansche brutaliteit te verknoeien.”

Na afloop van hun liederenreeks hebben de beide kleinkunstenaars maar liefst fl. 17,- met de hoed opgehaald en komen hun verdienste, met de vergoeding van Waterborg op fl. 20,-!

Met name het zeer succesvolle optreden te Oosterbeek zal de beide heren doen besluiten hun carrière als journalisten af te breken en het pad van de liedkunst op te gaan. Met achterlating van de instrumenten in Concordia neemt men de “ hotsende, kille tram” naar Arnhem waar men overnacht in het Burgerlogement in de Weerdjesstraat. Als ze de volgende dag hun instrumenten ophalen heeft Waterborg een fraai getuigschrift klaar liggen:

Oosterbeek, den 25 Aug. 1907: “Zeer tot mijn tevredenheid en die van het publiek, zijn bij mij opgetreden de H. H. Naphtalie de Rosa en Joseph Pardo als muzikanten en als liederzangers in diverse talen. Reden waarom ik hun gerust durf aan te bevelen bij hen die een genoeglijke avond willen arrangeren.
(* w.g.) W. H. Waterborg

Luister naar Jean-Louis Pisuisse – Mensch durf te leven (1917)

Het bleef nog lang onrustig in het dorp…

Maar daarmee stopt dit verhaal nog niet. Het leven van beide zwervers zou tragisch verlopen. Na hun succesvolle trip van 9 dagen door Nederland besloten zij een wereldreis te maken, die maar liefst 5 jaar duurde. Na terugkomst in 1913 richtte Pisuisse het eerste Nederlandse cabaretgezelschap op dat met veel succes in het Kurhaus in Scheveningen optrad.
Pisuisse trouwde drie keer: in 1903 met Jacoba Smit, voor wie zijn grote reislust echter teveel was. In 1913 huwde hij met de toneelspeelster Fie Carelsen en in 1927 met Jenny Gilliams. Met de laatste had hij al enige jaren een verhouding. Jenny Gilliams begon echter tijdens hun huwelijk een verhouding met een lid van de cabaretgroep Tjakko Kuiper, maar verbrak deze na korte tijd.

Jenny Gilliams

Tjakko Kuiper voelde zich afgewezen en raakte zozeer het spoor bijster dat hij op 26 november 1927, bij het standbeeld van Rembrandt, op het gelijknamige plein in Amsterdam, het echtpaar doodschoot waarna hij zelfmoord pleegde.

Max Blokzijl

Max Blokzijl komt na een succesvolle carrière als cabaretier als journalist onder de invloed van de NSB, waarbij hij zich in 1935 aansluit. Vanaf februari 1941 begint hij met een serie radiopraatjes voor de NSB onder de naam”Ik was er zelf bij”. Daarbij probeert Blokzijl over te komen als een verstandig, en vooral net mens. Daarmee veroorzaakt hij verwarring bij menig luisteraar.

landverraders zijn volgens Blokzijl mensen die op de geallieerden zitten te wachten. NSB’ers zijn veelal juist geen landverraders, meent Blokzijl. Zij zijn de ware vaderlandslievende Nederlanders. Door zijn bijdragen probeert hij het verzet van het Nederlandse volk tegen de Duitsers te breken.Voor deze activiteiten wordt hij door het bijzonder gerechtshof in 1945 ter dood veroordeeld.

Het proces-Blokzijl wordt wel erg overhaast gevoerd. Doel was de publieke opinie ervan te overtuigen dat de bijzondere rechtspleging voor gerechtigheid zou zorgen. Blokzijl werd het slachtoffer hiervan daar hij als een der eersten werd uitgekozen vanwege zijn grote bekendheid bij het publiek. Van de 15.000 gevonnisten kregen 190 de doodstraf. Van hen werden slechts 34 terechtgesteld. Een der eersten was Blokzijl. Het vonnis wordt op 16 maart 1946 op de Waalsdorpervlakte voor een vuurpeloton voltrokken.

Luister naar een van de Radio-boodschappen van Max Blokzijl

Reageren

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.