Esther en Betje Cohen verhuizen noodgedwongen naar Arnhem (1940)

Aan de Kerkstraat/Achterdorpsstraat, bevond zich hun woonhuis en winkel in zuivelproducten. Ester en Betje waren geboren en getogen in Renkum. In de vroege uren van vrijdag 10 mei 1940 vielen Duitse aanvalstroepen Nederland binnen. De buurgemeente Wageningen werd planmatig geëvacueerd wegens de te verwachtte strijd om de Grebbeberg, de inwoners van Renkum werden op een klein gedeelte na niet geëvacueerd.

‘Een voorbeeld van de 21 cm Mörsers die de
Duitsers o.a. in het dorp Renkum hadden opgesteld.

Al in de namiddag van die eerste oorlogsdag arriveerden de eerste Duitse gevechtstroepen in Renkum, het dorp stroomde vol. De Duitse soldaten waren in afwachting van verder transport en deden hun inkopen waarbij ze zeker belangstelling hebben gehad voor de boter en kaas in de zuivelwinkel van Cohen. Deze producten waren in eigen land al lang op de bon of niet meer verkrijgbaar. Of de zuivelwinkel daadwerkelijk geopend was is natuurlijk nog maar zeer de vraag. Vrijdagavond is het begin van de Sabbat. In de vroege ochtend van zaterdag 11 mei stond er zwaar Duits geschut Mörsers) opgesteld in het westelijk deel van Renkum op een aardappelveld midden in de bebouwde kom.

Een ander stuk geschut stond daar ook, vlak achter huizenrijen in bewoond gebied. Een klein deel van de inwoners van westelijk Renkum evacueerde op bevel van de Wehrmacht op die dag richting Heelsum. Ook de bewoners van Kerkstraat 5 vertrokken vroeg in de ochtend. Mogelijk zijn Ester en Betje toen met hun moeder via Heelsum naar Arnhem gelopen, waar ze zich in het gezin van hun broer Meijer veiliger waanden. Of ze, in die periode, nog naar Renkum zijn teruggekeerd is niet bekend. Het pand aan de Kerkstraat bleef tijdens de gevechten in mei 1940, onbeschadigd. Sara Cohen-de Vries en haar dochters werden op 15 juli 1940 ingeschreven in de gemeente Arnhem komende uit Renkum. Ze werden ingeschreven op het adres Utrechtscheweg 141 inwonend bij de zoon en broer Meijer Cohen. Het gezin van Meijer Cohen, zijn vrouw Suzanna Gezina Cohen en dochter Sonja, woonden sinds 16 maart 1936 op dit adres.

In de gemeente Renkum werden Sara Cohen-de Vries en haar dochters uitgeschreven op 20 juli 1940 wegens vertrek naar Arnhem. Dochter Betje Cohen vertrok op 7 mei 1941 naar de Groen van Prinstererstraat 42 in Arnhem. Zij ging als huishoudster werken en wonen bij het echtpaar Frank-Hartog. Salomon Frank overleed op 12 augustus 1941 te  Arnhem, zijn vrouw Jeanette Hartog op 25 juli 1942. Ter nagedachtenis aan hun 4-jarige weggevoerde kleindochter Elly (Esther Jeanette Antoinette) Frank werd op 14 april 2011 in Lienden een beeldje onthuld.

Sara de Vries, weduwe van Salomon Cohen overleed op 12 december 1941, namiddags om half één te Arnhem. Aangifte van overlijden volgde op 15 december door de koster Iman Isaak Modijefsky. Toestemming tot begraven op de Nieuwe Israëlitische begraafplaats te Wageningen werd verleend door de ambtenaar van de burgerlijke stand te Arnhem. Deze mededeling is te vinden in het Brievenboek 1941 van de gemeente Wageningen.

Terwijl het Duitse leger de caférotonde van Musis Sacrum inrichtte als een gezellig ‘Wehrmachtheim’, werden de Joden in Arnhem systematisch geïsoleerd.
In juli 1940 kwam een verbod op ritueel slachten, een maand later werden Joodse ambtenaren ontslagen, gevolgd door de verplichte ariërverklaring. In 1941 werden Joodse winkels geplunderd en werd geprobeerd de synagoge in brand te steken. Een plan voor twee aparte Joodse wijken (getto’s) werd niet gerealiseerd, het aantal Joodse inwoners was hiervoor te klein. Op het einde van 1942 werden de laatste Arnhemse Joden opgepakt voor deportatie naar de vernietigingskampen.
Van de 2256 Joden die korte of lange tijd in de stad verbleven, kwamen ongeveer 1300 om in de Holocaust.

Op 23 april 1942 werd de woning aan de Utrechtscheweg 141 gevorderd door de Duitse Wehrmacht. De familie moest op zoek naar andere woonruimte. Die werd gevonden aan de Utrechtscheweg 58. Op 11 juni 1942 werden Meijer Cohen, Suzanna Gezina Cohen en hun dochter Sonja op dit adres ingeschreven. Inwonend: Ester Cohen. De vorige bewoonster Sijtje Plaat-Kelderman was op 19 december 1941 overleden. De buren op nummer 60 was de Joodse familie Pinto, bestaande uit de fabrikant Bernard Pinto, zijn vrouw Mathilda Grünewald en dochter Gerda René Pinto. Vanaf half 1940 kregen vele Joodse Nederlanders een beroepsverbod en werden daarnaast geregistreerd als Jood. Vervolgens werden de geregistreerde werkloze Joden gedwongen arbeid te verrichten in al bestaande werkkampen, die in de jaren dertig waren gebouwd in het kader van de werkverschaffing. Om onrust onder de bevolking te voorkomen, deed de bezetter er alles aan om het samenbrengen van Joodse mannen op iets soortgelijks te laten lijken. De mannen moesten heide omspitten of wegen aanleggen onder leiding van dezelfde organisatie als voor de oorlog: de Rijksdienst voor de Werkverruiming. De mannen verdienden met hun werk ook een uurloon, dat werd overgemaakt aan hun gezinnen.

Het toezicht op het werk was in handen van de Nederlandsche Heidemaatschappij en ook in het kamp zelf hadden veelal Nederlanders het voor het zeggen. In 1942 waren er ongeveer 50 werkkampen, de meeste in het oosten en noorden van het land. Ook Meijer Cohen kreeg in de loop van 1942 een oproep voor een werkkamp en vertrok, aan onderduiken werd niet gedacht. Maar in werkelijkheid diende het gebruik van de joodse werkkampen een heel ander doel. SS-Obergruppenführer en hoofd van de Waffen-SS en de Politie in Nederland, Hans Albin Rauter, schreef in een brief aan zijn direct meerdere Reichsführer SS en hoofd van de Duitse politie Heinrich Himmler over de werkelijke functie van deze kampen: ‘In deze werkverruimingskampen bevinden zich ongeveer 7000 joden. Wij hopen dit aantal op 1 oktober op 8000 joden te kunnen brengen. Deze 8000 joden hebben ongeveer 2.000 familieleden in heel Holland. Op 1 oktober zullen al die werkkampen in een grote actie door mij worden bezet en op dezelfde dag zullen de familieleden daarbuiten worden gearresteerd en naar de beide grote, nieuw ingerichte jodenkampen in Westerbork en Vught worden overgebracht.

In 1942 werden allen overgebracht naar kamp Westerbork, kamp Vught werd in januari 1943 in gebruik genomen. Dochter Sonja werkte in 1942 als secretaresse bij de advocaat Mr.M.J. Wolff, hoofdvertegenwoordiger van de Joodse Raad voor de provincie Gelderland aan het Stationsplein in Arnhem. Op zaterdag 3 oktober 1942 werden moeder en dochter Cohen door politieagenten opgehaald uit hun woning aan de Utrechtscheweg 58 in Arnhem, de adressen en het aantal gezinsleden was bekend. Ze werden overgebracht naar de r.-k. school aan de Utrechtscheweg 3a. De verzamelplaats voor opgehaalde Joodse gezinnen die van daaruit werden afgevoerd naar Westerbork. In de loop van de dag haalde de vice-voorzitter van de Joodse raad, Mr. A. Roselaar, Sonja weg uit het schoolgebouw. De volgende ochtend zag Sonja, vanuit de bovenverdieping van het gebouw van de Joodse Raad, hoe haar moeder en alle andere Joodse gezinnen werden afgevoerd. Suzanna Gezina Cohen werd in kamp Westerbork herenigd met haar echtgenoot, Meijer Cohen, ze bleven tot 16 februari in het kamp en werden toen met 1106 lotgenoten op transport gesteld en op 19 februari 1943 in Auschwitz vermoord. Sonja Cohen dook onder en overleefde. Op 3 oktober 1942 was Ester Cohen aanwezig in de woning bij haar schoonzuster en nichtje. Zij zag het gevaar en vluchtte via de achterkant van de woning weg. Vanaf deze dag is er onduidelijkheid waar Ester en Betje verbleven. Volgens een verklaring van mevr. Kooij-Slotemaker verbleven Ester en Betje in de woning aan de Groen van Prinstererstraat, dat was het adres waar haar moeder, mevr. Kooij-Slotemaker en haar dochters vanuit Oosterbeek afscheid van Ester en Betje gingen nemen.

Vermoedelijk vond deze gebeurtenis plaats in december 1942. De zusjes Cohen stonden toen klaar, met hun koffers, om die avond opgehaald te worden. De Duitse algemene commissaris voor veiligheid in Nederland, Hans Albin Rauter, beloofde zijn chef Heinrich Himmler in Berlijn dat snel met de joden zou worden afgerekend. Hij stuurde op 10 september 1942 het volgende bericht: “Op 15 oktober wordt het Jodendom in Holland vogelvrij verklaard, dat wil zeggen, dan begint een grote politieactie waaraan niet alleen Nederlandse en Duitse politie-instanties meedoen, maar waarbij ook betrokken worden de NSDAP, de NSB, de Wehrmacht etc. Elke jood die ergens in Holland wordt aangetroffen, wordt in een van de grote jodenkampen vastgezet.” Rauter zorgde tevens voor instructies voor de hoofdcommissarissen van alle politiekorpsen. Voor Arnhem betekende dit dat de politie op 10 december 1942 in totaal 959 joden moest ophalen.

Op 138 adressen werden joden aangetroffen en gearresteerd. Zo werd op deze decemberavond het Tehuis voor Israëlitische Oude Lieden aan de Markt 5 leeggehaald. Alle zestig bewoners en circa 20 joodse  personeelsleden werden naar Westerbork getransporteerd Zij werden in de periode vanaf 14 januari tot 26 februari omgebracht in Auschwitz. Van de Joodse inwoners van Arnhem werden uiteindelijk 346 naar Drenthe overgebracht en vandaar op transport gesteld naar de vernietigingskampen. Ester en Betje Cohen waren toen al verdwenen uit de Groen van Prinstererstraat, ze verbleven twee weken bij slager Elings in Wageningen en werden daarna opgenomen in het gezin van Jakob Boelens in Doorwerth. Vermoedelijk zijn ze op meer onderduikadressen geweest. Volgens diverse verklaringen waren er op 16 en 17 april 1943 razzia’s in Doorwerth.

De onderduikers, waaronder Ester en Betje, vluchtten het bos in. De weersomstandigheden waren in die periode redelijk, de gemiddelde etmaaltemperatuur was 10 graden en weinig of geen neerslag. Na het verblijf in het bos probeerden Ester en Betje in hun vorige woonplaats Renkum onderdak te vinden wat niet lukte. Vanuit Renkum liepen ze naar Wageningen naar de woning van slager Elings waar hun zus Roosje ondergedoken was.
Bij het gezin Elings was niemand aanwezig, behalve de onderduikster Roosje, geboren in 1881 te Renkum, die strikte orders had de deur niet te openen en uiteraard niet wist dat haar zussen voor de deur stonden. Het afscheidsbriefje wat Ester en Betje achterlieten werd later die avond gevonden door mevrouw Sjoeke Elings- de Vries. Roosje Cohen vernam pas veel later dat het haar zussen waren die aanklopten. De vondst van het afscheidsbriefje en de inhoud daarvan deed Evert Elings besluiten de betrouwbare brigadier van politie Van Beek in te schakelen. De lichamen van Ester en Betje Cohen spoelden aan op dinsdag 20 april 1943 in de buurt
van de Opheusdense pont nabij de steenfabriek De Blauwe Kamer. De telefonische melding, vanaf de steenfabriek, werd om 18.15 uur genoteerd bij de Wageningse politie en brigadier Noordhuis werd belast met het onderzoek.

‘Voor Joden Verboden’ zegt het bord
bij de ingang van Sonsbeek aan de Apeldoornseweg.

Uit het politiedagrapport blijkt dat ook brigadier Van Beek bij het onderzoek aanwezig was. De identiteit van de drenkelingen kon worden vastgesteld door de op de lichamen gevonden persoonsbewijzen. Hoewel ze aan elkaar gebonden waren vermeldt het dagrapport ‘ aan een misdrijf behoeft niet te worden gedacht’. Deze zin in het politiedagrapport geeft aan dat de politiemensen Noordhuis en Van Beek op de hoogte waren van de zelfgekozen dood van Ester en Betje Cohen. De drenkelingen werden per vrachtauto overgebracht naar de Algemene begraafplaats in Wageningen. Evert Elings identificeerde daar de stoffelijke resten van Ester en Betje. Ester en Betje Cohen werden op 22 april 1943 begraven op de Nieuwe Israëlitische begraafplaats in Wageningen.

Op het Joodse gedeelte van begraafplaats De Leeuwer Enk in Wageningen zijn de Oorlogsgraven van Esther Cohen en haar zus Betje Cohen, overleden op 20-04-1943. Ze pleegden samen zelfmoord in de rivier en werden anoniem begraven. Pas op 4 mei 2011 werden nieuwe grafstenen met namen geplaatst.

Bronnen (voor dit en de navolgende artikelen):
 Gelders Archief
 G. Maassen, projectleider Gelderland 1940-1945
 Woningkaarten gemeente Arnhem.
 Gelderland Bibliotheek
 Adresboeken gemeente Arnhem en Renkum.
 Archief gemeente Wageningen
 Register van overlijden.
 Archivaris P.M. Kernkamp, politiedagrapport.
 Blik Omhoog, auteur Cor Janse
 Herinneringscentrum Kamp Westerbork
 Joodse werkkampen
 www.joodsewerkkampen.nl
 Zie tevens het boekje van Jaap Meijer “Een lint van wanhoop” dat onlangs is verschenen.

Reageren

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.