Hoefers tachtigste verjaardag mag niet in stilte voorbij gaan

Het comité dat de viering van de tachtigste verjaardag van Frederic Adolf Hoefer, kolonel van de Artillerie b.d., voorbereidde, had grote woorden nodig om recht te doen aan de verdiensten van de jubilaris. Hoefer behoorde dan ook tot de vaderlandslievende mannen die van `onschatbare waarde voor onze volkskracht’ zijn, zoals het comité in een vertrouwelijk rondschrijven vaststelde. Iedereen die wel eens met hem te maken had gehad, kende de bezielende werking die uitging van zijn `geestdriftige vaderlandsliefde’, terwijl zijn inzet voor het behoud van `onze nationale goederen’ als oudheidkundige, geschiedschrijver, ondervoorzitter van de Afdeling A van de Rijkscommissie voor Monumentenzorg, voorzitter van de Vereeniging `Het Nederlandsche Openluchtmuseum’ en oprichter en directeur van het Nederlands Legermuseum moeilijk te overschatten viel.
Een huldeblijk was op zijn plaats. `Mannen als de Heer Hoefer moeten, wanneer een passende gelegenheid zich daarvoor aanbiedt, worden gehuldigd. Niet in de eerste plaats om hen zelven, maar vooral omdat het zoo goed is voor ons nationale leven, als wij ons met dankbaarheid rekenschap geven van hetgeen door vooraanstaande personen wordt tot stand gebracht’. Hoefers tachtigste verjaardag mocht niet in stilte voorbij gaan.

Dat zou ook niet gebeuren. Op 14 april 1930 volgde een feestelijke huldiging, op kasteel Doorwerth dat als geen andere plek Hoefers cultuurhistorische belangstelling symboliseerde.

In 1909 had hij het zwaar verwaarloosde bouwwerk van de ondergang gered door het uit eigen middelen op te kopen en onder te brengen in de door hemzelf opgerichte  Vereeniging `De Doorwerth’, die zich vervolgens hard maakte voor restauratie. `Hoe grooter de bressen in de muren en de openingen in de daken worden, hoe driester de Blooper optreedt. Maar hij zal dien burcht niet slechten’, aldus de belofte van Hoefer.

De Doorwerth zou inderdaad worden gerestaureerd. In 1913 vestigde Hoefer er zijn Artilleriemuseum, dat later uit zou groeien tot het Nederlandsch Legermuseum. In zijn hulderede op die 14e april 1930 refereerde de voorzitter van het huldigingcomité, de oud-generaal C.J. Snijders, nadrukkelijk aan dit Legermuseum dat hij Hoefers troetelkind noemde. Daar immers kwamen diens historische belangstelling, vaderlandsliefde en militaire deugden samen. `Want deze rijke en boeiende verzameling, welke jaarlijks door tienduizenden wordt bezocht, is niet alleen een bron van studie en voorlichting voor den geschiedkundige en den krijgskundige, zij is tevens een waardig gedenteeken voor ons roemrijk voorgeslacht, dat in zijn worstelstrijd voor gewetensvrijheid, staatkundige zelfstandigheid en nationale ontplooiing zoo herhaaldelijk op krijgskundig gebied een vooraanstaande plaats heeft ingenomen en de leerschool van Europa is geweest’. Door middel van een eenvoudig gedenkteken, aangebracht in de gevel van het kasteel, wilde het comité Hoefers inzet en werk voor het nageslacht vastleggen.

Den geschiedvorscher en oudheidkundige F.A. Hoefer op zijn tachtigste verjaardag 14 april 1930.
Zijn talrijke vereerders en medewerkers stond erop te lezen. Het was een kort en bondig opschrift, zoals Snijders reeds in zijn rede had aangekondigd. `Maar het spreekt boekdeelen door den klank en den luister van den naam, die er in is gegrift’.

Inmiddels zijn we zeventig jaar verder, ruim twee generaties later. Boekdelen spreekt de naam Hoefer voor de meesten al lang niet meer, al leeft zijn naam dan voort in de officiële benaming van de Stichting het Koninklijke Nederlands Leger en Wapen Museum `Generaal Hoefer’ en passeert iedere bezoeker van het Legermuseum bij de ingang zijn borstbeeld.

Dat Legermuseum bevindt zich echter al lang niet meer in Doorwerth en lijkt ook in bijna niets meer op het eenmansbedrijf dat Hoefer sinds 1913 tot zijn dood in 1938 met zoveel energie bestierde.

Paul Knevel

S&H 2009 (4) eerste deel van een serie

Reageren

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.