Hoe Oosterbeek groeide van “een geringe vlek ofte bouwerschap” tot…

 

zichtopzweiersdal-mariavos

Zicht op het Zweiersdal te Oosterbeek. Maria Vos (1824-1906)

 

Geldersse_Geschiedenissen

Arend van Slichtenhorst
De Arnhemse advocaat en befaamde geschiedschrijver Arend van Slichtenhorst (1616-1657) verhaalt in zijn “XIV Boeken van de Geldersse geschiedenissen van ’t begin af vervolghd tot aen de afzweeringh der Koningcx van Spanien; waer van ’t eerste Deel verhandeld de Land-beschrijvingh. Getrocken meerendeels uyt de Latynsse werken van den Heer Joh. Isacus Pontanus” (1571-1639), een schitterend uitgevoerd en met vele kaarten verluchtigd werk, handelend over de vroegste geschiedenis van o.a. de Oosterbeekse dreven, van “een geringe vlek ofte bouwerschap.”

Uit de beschrijving van Van Slichtenhorst spreekt geen overdreven liefde voor het Oosterbeekse landschap en zeker niet van ontzag voor de plaatselijke bedrijvigheid.

Oosterbeekse Heggen
Het tot in de 19de eeuw bestaande landschap van heidevelden afgewisseld door de Oosterbeekse “heggen” sprak, door zijn grote hoogteverschillen, echter zeer tot de verbeelding van menig schilder en zeker ook tot die van de reiziger, op weg naar of vanuit Arnhem.

Het door deze hoogteverschillen zo aantrekkelijke landschap ligt op een stuwwal die ongeveer 250.000 jaar geleden ontstond toen een gletsjer vanuit het noordoosten een hoeveelheid grind, klei en zand, die zich in diepgevroren staat bevond, in grote ijspaketten voor zich uit duwde en naar het noorden omhoog werkte.

De aantrekkelijke dalen die aan de Zuid-Veluwe aangetroffen worden ontstonden rond de 100.000 jaar geleden toen het ijs zich had terug getrokken maar de bodem nog wel bevroren was zodat het smeltwater niet in de grond kon zakken maar naar lager gelegen gebieden stroomde, aldus een steeds meer uitgesleten dalletje vormend. Rond het in de 10de eeuw gebouwde kerkje aan de huidige Benedendorpsweg ontstond in de eeuwen daarna de “geringe vlek”, het Benedendorp.

1024px-Pieterskerk_-_reliëfBernulphus legende
Aan dit kerkje is voor immer de legende van Bernulphus verbonden. Deze was als priester aan deze parochiekerk verbonden. In 1026 was keizer Koenraad II met zijn vrouw Gisela, die in verwachting was, op weg naar Utrecht waar een nieuwe bisschop gekozen moest worden.
De keizerin werd, aangekomen in Oosterbeek, onwel en werd onder de hoede van Bernulphus achtergelaten. Kort daarna beviel zij van een zoon, de latere keizer Hendrik III.
Bernulphus reisde naar Utrecht om de vader op de hoogte te brengen. Als dank voor de goede zorgen en de moeite die de priester had genomen werd hij door de keizer benoemd tot bisschop van Utrecht.

 

 

Pastoor van Oosterbeek én Driel
De pastoor van het oude kerkje van Oosterbeek was tot 1465 tevens priester voor het aan de overzijde van de Rijn gelegen Driel. Ten behoeve van de oversteek beschikte de kerk over een schip dat afvoer bij het nog steeds bestaande Drielse veer. Nadat Driel een eigen parochie kreeg bleef het schip in de vaart ten behoeve van het dagelijks overzetten van reizigers.

In 1669 werden de rechten met bijbehorend veerhuis door het kerkbestuur, van de inmiddels Hervormde Kerk, verkocht aan Arnhem. Pas in 1845 komt het veer weer in Oosterbeekse hand als burgemeester Johannes Backer, sinds 1814 eigenaar van het landgoed de Oorsprong, het op een veiling in Arnhem voor 11.310,- gulden koopt.

Het Drielse veer zou later een belangrijke rol spelen in het zich in de 19de eeuw ontwikkelende toerisme aan de Zuid-Veluwe.

 

Klooster Mariëndaal
Op enige afstand van het zich rond de Oude Kerk ontwikkelende dorp Oosterbeek bevond zich aan de noordzijde van de Utrechtseweg, op de grens met Arnhem het klooster van de Reguliere Kanunniken Mariëndaal.
Het gebied was in de veertiende eeuw bezit van Wijnand van Arnhem die het in 1392 ter beschikking stelde aan een aantal gelovigen die er, met toestemming van de bisschop van Utrecht, het klooster Mariëndaal bouwden.

 

Het oude klooster van Mariendaal

Het oude klooster van Mariendaal

De eerste rector van het klooster was Johan van Kempen, een broer van de augustijner monnik Thomas à Kempis. Beiden werden geboren in Kempen een gehucht in de buurt van Krefeld. Het bekendste en nog altijd beroemde werk van Thomas a Kempis is “Over de navolging van Christus”, (De Imitatione Christi), de verzamelnaam voor vier traktaten, waarvan het oudste dateert uit 1424. Het werk werd in1472 te Augsburg gedrukt en was na de Bijbel het meest verbreide boek van de late Middeleeuwen.
Doordat zowel de hertog van Gelre, Willem van Gulik, als de bisschop van Utrecht aan het klooster “volkomene magt” gaven groeide zowel de macht als het aanzien van het klooster met in het verlengde daarvan de bezittingen. Zo had men grond in Arnhem ( Heyenoord), Brummen, Bemmel, Driel, Ede, Elst, Heteren, Lienden, Rhenen, Velp en Westervoort.

De kloosterlingen hielden zich naast studie – de bibliotheek van Mariëndaal was befaamd- bezig met landbouw maar werkten ook op de vier molens die op het goed stonden en die werden aangedreven door de ter plekke ontspringende beek.
De zucht naar aardse goederen won het in de 16de eeuw van de godsvrucht. De bewoners van het gehucht Oosterbeek beklaagden zich erover dat er sprake was van liederlijk gedrag en bandeloosheid.

Geen needrigheid, geen vroomheidszin,
Geen liefde tot den Heer,
Geen stille deugd regeerde erin’
Naar Gods en Romes leer,

In brassen, schertsen met elkaâr,
In smaadlijk lustbejag,
Sleet de overdartle kloosterschaar
Er de een na d’andren dag.

Door de Hervorming was de macht van de katholieke kerk ter plekke sterk verminderd en in 1587 werd het klooster afgebroken. De stenen werden gebruikt om de Arnhemse stadswal te herstellen. Uit de tijd van het klooster rest nog steeds een vijftal grafzerken waarvan er twee dienst doen als tafel bij een uitzichtpunt over het naar het zuiden aflopende weiland, nabij de parkeerplaats aan de Schelmseweg.

Pauline de Bruijn- van Lede voor de villa “Dreijerheide

De drie andere resten van zerken bevinden zich in de zich op Mariëndaal bevindende kapel die in 1940 werd gebouwd in opdracht van mevrouw Paulina de Bruijn-van Lede, van Dreijerheide, die als gelovig katholiek eerder de Bernulphuskerk in Oosterbeek een fresco en de beroemde uit veertien staties bestaande kruisweg van Jan Toorop ten geschenke gaf.

De polder Rosande
Een derde bewoning, zij het geen buurtschap trof men aan in de polder Rosande, een uiterwaardengebied bij de Rijn, op de grens van Oosterbeek en Arnhem. Bij de geschiedenis van dit gebied willen we kort stilstaan. De heerlijkheid Rosande treffen we voor het eerst aan in 1428 toen als heer van Rosande Dirk van Arnhem, zoon van Wijnand van Arnhem, werd genoemd.

Rosande was in die tijd al een leen van Doorwerth maar was bevoegd om rechtspraak in eigen hand te hebben.
Als in 1515 de hertog Karel van Egmond Arnhem heeft ingenomen wordt kort daarna het kasteel Rosande verwoest. Een daarvoor in de plaats opgetrokken kasteel, gebouwd door Jacob van Appeltern, Domdeken van Utrecht die het van hertog Karel had gekocht, wordt in 1538 afgebroken en vervangen door een huis gebouwd door Frederik Schellard van Obbendorp die de eigendomsrechten van de heerlijkheid met succes terug vorderde. Toen kort daarna ook de heerlijkheid Dorenweerd in eigendom van de familie Schellard kwam was er honderd jaar lang een heer van Dorenweerd die tevens heer van Rosande was.
Het is dit laatste huis dat tot het einde van de 18de eeuw op een verhoging bij de Rijn in de polder nabij Oosterbeek heeft gestaan.

Baron Johan Frederik Willem van Spaen

Nog een eigenaar moet worden genoemd. Rond 1700 komt Rosande in handen van Frederik Willem, vrijheer van Spaen die het landgoed Biljoen bij Velp bewoonde. Een nazaat, Baron Johan Frederik Willem van Spaen verkoopt in 1783 de Geelkerkenskamp, een groot gebied vanaf de Rosandepolder tot aan de Utrechtseweg, ten oosten van de Mariënbergweg, aan Hendrik de Geest. De ontmanteling van Rosande begint in die tijd. De aandacht voor het goed Rosande verflauwde en de grootste aandacht van de familie ging uit naar hun landgoed Biljoen. Verdere verkopen verkleinen het gebied steeds meer. Na de verwoesting van het huis Rosande in de Franse tijd, eind achttiende eeuw, komt de grond in eigendom van de gemeente Renkum, in die (Franse) tijd “ mairie Oosterbeek”. Bij K.B.van 11 februari 1817 worden de grenzen van de schoutambten en heerlijkheden geregeld. Een dochter van Baron Frederik van Spaen, Gijsberta Maria Carolina, die in 1800 huwt met Adolf Hendrik graaf van Rechteren, was dus de laatste eigenaresse van de heerlijkheid Rosande.
Na de Franse tijd wordt zij in haar rechten hersteld d.w.z. herkrijgt zij delen van de voormalige heerlijkheid Rosande. Zij gaat voortvarend te werk en werkt gestaag aan een vergroting van het gebied. Zo koopt zij in 1835 gronden ten noorden van de Utrechtseweg vanaf de huidige Noorderweg oostwaarts, tot aan Mariëndaal van de Domeinen.
Rond 1830 bouwt zij een nieuwe villa als centrale plek voor dit bezit: villa Rosande. Vanaf dit huis worden nieuwe lanen aangelegd die wij thans kennen als de Beukenlaan, de Julianaweg en de Prins Bernardweg.
Het huis Rosande is in 1875 afgebroken en de bijbehorende tuinmanswoning rond 1900. De huidige villa Rosande, op de hoek van de Beukenlaan met de Utrechtseweg, werd pas in 1910 gebouwd en heeft met de geschiedenis van de voormalige heerlijkheid dus niets uitstaande.

Jan Dirk Baron van Wassenaer van Rosande
De laatste, in 1885, eigenaar geworden Jan Dirk Baron van Wassenaer van Rosande erfde grond ter grootte van een kleine 150 ha. Een voor de gemeente in haar ontwikkeling van het dorp goed meedenkende baron. In 1898 verkoopt hij het stuk grond, nodig voor de aanleg van de nieuwe begraafplaats aan de Van Limburg Stirumweg aan de gemeente.
Een onbaatzuchtige Baron ook, met hart voor Oosterbeek.
Zo staat hij om niet de benodigde grond voor de Beukenlaan op Rosande af aan de gemeente, en belooft bovendien een storting van f 1.350,– om deze binnen 3 jaar te verharden.

Na zijn overlijden in juni 1914 verkopen zijn erfgenamen in 1917 grond rond de huidige Loopbergenseweg, ten noorden van de spoorbaan Utrecht-Arnhem, aan M. Loopuyt, secretaris van de gemeente Renkum en in 1946 de uiterwaarden, de Rosandepolder, aan Levensverzekeringsmaatschappij “Utrecht”. Met deze laatste verkoop heeft de familie Van Wassenaer van Rosande zijn laatste bezittingen in Oosterbeek uit handen gegeven.

De Dreijen
Een laatste buurtschap dat voor de ontwikkeling van “vlek” naar dorp belangrijk was willen we nu bekijken. De Dreijen ten noorden van de Utrechtseweg.
De naam Dreyden komen we voor het eerst tegen rond 1300 als een gebied tussen Mariëndaal en de Sonnenberg. Naar het noorden strekte het zich uit tot voorbij de huidige Amsterdamseweg. Het behoort in die tijd tot de landerijen van de Commanderij van St. Jan uit Arnhem.

De in 1387 ontstane, eveneens Arnhemse, St. Nicolaas Broederschap krijgt het, na zich enige decennia in de armenzorg te hebben onderscheiden, geschonken. Gedurende de volgende vier eeuwen zou deze broederschap haar bezit, waaronder dat in Oosterbeek, steeds verder vergroten. Ook na de Hervorming kon de van huis uit Roomse Broederschap haar charitatieve werk voortzetten.

geelkercken-oosterbeek-1660

Kaart van Oosterbeek door Geelkercken rond 1660 met rechts boven Dreijen

 

Als eind zestiende eeuw de Broederschap een inventarisatie van tot haar eigendommen behorende gronden maakt wordt “ het goet tho Dreyen” omschreven als een in feite “ woeste en vrijwel ledige plek”. Eigenlijk beslaat het het volledige gebied boven Rosande (Roesand).
De heggen (voor hakhout gebruikte percelen) werden veelvuldig door de arme boerenbevolking van het Benedendorp bezocht teneinde hout te verzamelen voor verwarming en het dagelijks gebruik. De straffen die hierop stonden waren niet mals en werden veelal in natura afgewikkeld. Ten behoeve van de handhaving in het gebied werd dan ook een toezichthouder aangesteld. De eerste die we op de Dreyen tegenkomen was Gerrit ter Hoeven die een vorstelijk salaris genoot maar zijn taak dan ook zeer serieus nam en aldus grote schade voor de Broederschap vermeed. Hij regelde ook de houtverkoop op de heggen waarop men zondags tijdens de dienst in de Oude Kerk opmerkzaam werd gemaakt.

De ook rond 1580 al op Dreyen staande hoeve met schaapskooi, bewoond door Roelof Derksz, werd veelvuldig door wolven bezocht en een ijlings ingestelde premie voor iedere gedode wolf moest voorkomen dat hun aantal verder groeide. Deze bewoner van de hoeve hield zich vooral bezig met de verbouw van boekwijt, waarvan een groot deel moest worden afgestaan, als pachtsom, aan de Broederschap. Tezamen met de houtopbrengsten een stevige bron van inkomsten voor de Broederschap.
De landbouwer van de hoeve had zijn landbouwgrond ten noorden ervan liggen, het gebied vanaf de spoorlijn tot over de huidige Amsterdamseweg en naar het oosten tot aan het grondgebied van Mariëndaal. Niet het gehele gebied was ontgonnen zodat op de vele uitgestrekte heidevelden het hoeden van een schaapskudde mogelijk was. Deze vergrepen zich nogal eens aan de jonge boomaanplant zodat ook hier weer toezicht op nodig was.

Zo werd in 1724 Geerlig Beernts als opzichter aangesteld. Hij mocht om zijn belangrijke taak uit te voeren in de onmiddellijke omgeving van de heggen wonen op de bouwhoeve. Voor de verbouw van landbouwgewassen had deze een aantal ondergeschikten, zodat hij steeds meer aanzien verwierf. In 1735 wordt Beernts opgevolgd door Geerlich van Hartevelt die niet alleen over het gebied Dreyen ging maar ook verbouwde op de Westerbouwing. Tenslotte treffen we in 1758 de Oosterbeekse onderschout Jurrien van Rheeden op de Dreyen aan als een van de laatste toezichthouders/bouwmannen van de Dreyen. Vanaf die tijd besluit de Broederschap in toenemende mate via verkaveling stukken heide in erfpacht te geven aan kleine boertjes die het konden ontginnen. Er verrezen steeds meer kleine behuizinkjes op de Dreyen die bereikbaar moesten zijn zodat ook een netwerk van paden verscheen.

Toch blijft de Broederschap percelen aankopen ten einde die in pacht te kunnen geven. Maar vanaf 1818 wordt dit beleid gewijzigd en verkoopt de Broederschap 50 ha. grond op de Dreyen met inbegrip van een boerenhoeve en schaapskooi aan Jonkheer Van Haersolte. Een groot gebied vanaf Mariëndaal tot de Sonnenberg. Twee decennia later ontstaat het plan om een spoorweg van Utrecht naar Arnhem aan te leggen. Met de verkoop van hun laatste grond op dit traject verdwijnt de Broederschap als groot-grondbezitter van de Dreyen en eigenlijk ook uit Oosterbeek daar de restanten van haar eigendom ten zuiden van de Utrechtseweg ook werden verkocht. Aankoop van grote stukken grond door vooraanstaande, uiteraard zeer bemiddelde families wijzigt de eigendomsverhoudingen van grond in Oosterbeek voorgoed.

Met een klein dorpje rond de Oude Kerk, het benedendorp, groeit Oosterbeek in de 19de eeuw langzaam uit naar het bovendorp. Daarbij is de vestiging van enige vooraanstaande families op door hen aangelegde landgoederen van groot belang geweest.

Nadat de heren, door koop van veelal woeste gronden, het landschap van heidevelden en hakhoutbossen gecultiveerd hadden ontstond een aangenaam verblijfsoord voor toeristen die zich dan ook in de 19de eeuw in toenemende mate in Oosterbeek gingen ophouden. Door de fraaie landgoederen met sublieme vergezichten en de vanaf het ontstaan ervan vrije toegang voor het publiek ontstond een wonderschoon wandel-en verblijfsgebied dat in het gehele land grote naam genoot.

1 reactie op "Hoe Oosterbeek groeide van “een geringe vlek ofte bouwerschap” tot…"

  1. Henk van Rheede  22 juni 2015 at 14:25

    Beste redactie,

    Hartelijk dank voor dit mooie en informatieve artikel. Mijn speciale aandacht ging uit naar de passage:
    “In 1735 wordt Beernts opgevolgd door Geerlich van Hartevelt die niet alleen over het gebied Dreyen ging maar ook verbouwde op de Westerbouwing. Tenslotte treffen we in 1758 de Oosterbeekse onderschout Jurrien van Rheeden op de Dreyen aan als een van de laatste toezichthouders/bouwmannen van de Dreyen.”
    Deze Jurrien is een van mijn voorouders. Wat wat bronnen mij vertellen is dat Geerlich van Hartevelt de schoonvader was van Jurrien van Rheeden. Volgens internetbronnen zou ene Jurrien Ulrich van Rheden de vader zijn van Jurrien van Rheeden. Ook deze vader zou mogelijk woonachtig geweest zijn in Oosterbeek.
    Zelf ben ik zelf woonachtig in Elden. Een achterkleinzoon (Jan van Rheede) van de Oosterbeekse onderschout Jurrien stak de Rijn over om met een Eldens meisje te trouwen. Deze Jan is mijn betovergrootvader.
    Ik probeer mij een beeld te vormen van het leven van mijn voorouders. Uw artikel heeft daar in grote mate aan bijgedragen, waarvoor mijn dank. Als u in uw onderzoek meer informatie bent tegen gekomen over de Oosterbeekse Jurrien, of over zijn broers, zussen, ouders (Jurrien Ulrich van Rheden, Gesina Elisabeth Meitz) of kinderen, dan verneem ik dit bijzonder graag.
    Ik houd me van harte aanbevolen voor eventuele tips.

    Met vriendelijke groet,
    Henk van Rheede

    Beantwoorden

Reageren

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.