Baggeraars vinden mooie steelpan en nog veel meer (1895)

In de eerste eeuw na Chr. werd het meeste bronzen vaatwerk in Nederland nog uit Italië ingevoerd, maar ook de Gallische bronsindustrie was in opkomst. Omdat brons kostbaar was en zich goed voor hergebruik leende, wordt het maar zelden nog aangetroffen. In Nederland zijn desondanks veel bronzen voorwerpen opgegraven, vooral afkomstig uit Romeinse graven of uit grote rivieren. In 1895 werden bij Doorwerth tijdens het baggeren van grint honderden bronzen voorwerpen gevonden. Bronzen vaatwerk werd op verschillende manieren in het huishouden gebruikt. Tot het tafelservies behoorden schalen en borden om het eten op te serveren en scheplepels. In de keuken werden emmers gebruikt om water in te halen en ketels en potten om water en voedsel in te verhitten. De steelpan (casserole), die behoorde tot de standaarduitrusting van de Romeinse soldaat, werd vooral gebruikt als scheplepel en om vloeibare spijzen uit te eten. Daarnaast vergde de toebereiding van de wijn veel bronzen gerei.

Bij de opgraving van Romeinse nederzettingen wordt zelden bronzen vaatwerk aangetroffen. Brons was een kostbaar materiaal dat zich bovendien goed leende voor hergebruik. Als een stuk bronzen vaatwerk kapot ging, werd het gerepareerd. Antieke reparaties aan bronzen vaatwerk vormen geen uitzondering. Gaten in ketels werden gedicht door er een plaatje brons op te nieten. Was reparatie niet meer mogelijk dan werd het stuk van de hand gedaan voor omsmelting en hergebruik. Toch zijn op Nederlands grondgebied honderden stuks, veelal gaaf bronzen vaatwerk tevoorschijn gekomen. Deze vondsten zijn afkomstig uit Romeinse graven of uit de grote rivieren. In het eerste geval betreft het bijgiften, persoonlijke eigendommen van de overledene die hem of haar vergezelden op de tocht naar het dodenrijk. In het tweede geval zijn meer verklaringen mogelijk. Het vaatwerk kan met opzet in derivier gegooid zijn, als offer aan de riviergoden, of bij toeval erin terechtgekomen zijn, door verlies of doordat de rivier zijn bedding heeft verlegd en daarbij Romeinse graven heeft opgeruimd.

Een uitzonderlijk rijke vondst van bronzen vaatwerk en ander bronzen gerei werd in 1895 gedaan in de Rijn bij Doorwerth. In april van dat jaar troffen werklieden bij het baggeren van grint honderden bronzen voorwerpen aan, waaronder meer dan twintig stuks bronzen vaatwerk. Meldingsplicht van bodemvondsten bestond in die tijd nog niet en over het eigendom ervan was nog niets geregeld. De vinders verkochten hun rijke buit, die terecht kwam bij een Nijmeegs antiquair, Grandjean genaamd. Deze antiquair deed zaken met verzamelaars van Romeinse oudheden, maar ook met het Rijksmuseum van Oudheden. Hij verkocht een deel van de partij aan de heer P.A. Gildemeester, een verzamelaar uit Amsterdam, en een deel aan het museum. Doordat Gildemeester bij legaat zijn gehele collectie oudheden aan het museum naliet, is de vondst van Doorwerth sedert 1931 weer herenigd.

De vondst van Doorwerth wordt gedateerd in de tweede helft van de 1ste eeuw na Chr. In die tijd werd het meeste bronzen vaatwerk waarschijnlijk nog uit Italië ingevoerd. De Romeinse 1ste-eeuwse schrijver Plinius roemt de bronsateliers in Capua en omgeving. Maar hij noemt ook reeds de Gallische bronsindustrie, die rond het midden van de 1ste eeuw na Chr. in opkomst was. Gallische naamstempels op het vaatwerk kunnen een Gallische herkomst verraden. De afgebeelde wijnzeef draagt zo’n Gallisch naamstempel: AGORIX. De zeef behoorde, evenals de andere afgebeelde voorwerpen, tot het tafelservies.

Romeins bronzen vaatwerk omvat toiletgerei, keukengerei en tafelservies. Wijde schalen met stevige handvatten dienden als wasbekkens. Een set bestaande uit een kan en een schaal werd gebruikt om de handen te wassen, bij offerplechtigheden of aan tafel. In kleine, fraai versierde potjes bewaarde men olieachtige substanties, nodig in het badhuis. Bij het baden schepte men water uit het bassin met een schaal, voorzien van een platte steel, om dat vervolgens over het lichaam te gieten als een soort douche.

In de keuken werden emmers gebruikt om water in te halen en ketels en potten in allerlei soorten en maten, om water en voedsel in te verhitten. Het moderne type pan met twee oren kende men in de oudheid niet, wel de steelpan. De steelpan, in de vakliteratuur casserole genoemd, werd in de eerste plaats gebruikt als scheplepel en om vloeibare spijzen uit te eten. Waarschijnlijk werd hij daarnaast ook gebruikt om eten in te verhitten. De casserole behoorde tot de standaarduitrusting van de Romeinse soldaat die hem gebruikte om uit te eten en te drinken. In de keuken ontbraken verder de scheplepels en de zeven van brons niet.

Tot het tafelservies behoorden natuurlijk schalen en borden om het eten op te serveren en scheplepels. Vlees en brood werden voorgesneden en met de handen gegeten. Min of meer vloeibare gerechten at men uit kommen of casseroles, eventueel met behulp van een lepel. Daarnaast vergde de toebereiding van de wijn veel gerei. Wijn werd in de oudheid meestal ‘versneden’, d.w.z. aangelengd met water. Dat gebeurde in de Romeinse tijd in fraai versierde bronzen emmers. Aan het wijnmengsel werden vaak kruiden toegevoegd. Met een speciale scheplepel werd de wijn aan tafel uit de emmer geschept, door een fijne zeef gehaald en geserveerd in een kannetje of amfoortje. Het genoemde gerei was meestal van brons. De bekers waaruit men de wijn dronk, waren van aardewerk, glas of brons. In zeer welgestelde huishoudens werd tafelzilver gebruikt.

Klik op de onderstaande button voor een overzicht van alle gevonden voorwerpen


Reageren

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.